De Boerenbruiloft

Als er een feest is, dat in deze streken zijn oude roem nog handhaaft,
dan is dat zeker een bruiloft. Geen boer of burger zo gering of er
moet een “brulfte” zijn, wanneer zoon of dochter trouwt.

boer&boerin3 boer&boerin4

Bij bruiloften op het platteland waren van oudsher altijd een groot aantal genodigden aanwezig; er werd veel gegeten en stevig gedronken. In sommige streken placht men de familieleden voor de gehele dag uit te nodigen; zij kregen een warme maaltijd aangeboden en ′s avonds werd een broodmaaltijd gehouden waarbij een ieder welkom was.

 

Voor een Twentse bruilof van ongeveer vijftig jaar geleden werd men uitgenodigd door twee ′brulftenneugers′, broers van bruid en bruidegom, die met een mooie spreuk de uitnodiging overbrachten. In elk gezin waar zij kwamen, kregen zij koffie (cichoreiwater) en wat ′in ′t glas′. Op de zondag dat het bruidspaar voor het eerst in de kerk werd aangekondigd, werd ′broetstroal′ gehouden, een feest waarop alleen familieleden werden genodigd; de beide families konden dan alvast met elkaar kennismaken. De laatste week voor de bruiloft kwamen de ′noabers′ in actie. ′s Zondags was het ′reuskesmaken′ voor de meisjes uit de buurt, d.w.z. er werden rode en witte papieren rozen gemaakt die de stoelen van het bruidspaar en de ereboog aan de ′niendeur′ moesten versieren. De ′woagholt′ (jeneverbes) die daarvoor nodig was, werd door de jongemannen gehaald. Nadat stoelen en ereboog van dit stekelige groen voorzien waren, staken de meisjes rode rozen in de stoel van de bruidegom, witte rozen in die van de bruid; in de ereboog erden rode en witte rozen gemengd. Trouwde een meisje bij een ander in, dan moesten de nieuwe ′noabers′ de ′broedsko′ halen. Deze koe behoorde tot de uitzet en was steeds een der beste koeien uit de stal, zodat men van de ′broedsko′ de maatschappelijke welstand van de bruid kon aflezen. De naaste buurman van de bruidegom bracht ondertussen de ′zeelwagen′ (een soort huifkar) in gereedheid; deze wagen was nl. de ′broedswagen′ en de buurman had een ′haalmoal′, d.w.z. hij moest de bruid halen.

bruidspaar01

Op de dag van de bruiloft gingen bruid en bruidegom naar de kerk, vergezeld van hun familie. De ′noabers′ gingen niet mee naar de kerk, maar haalden de bruid pas na afloop van de huwelijksplechtigheid van haar ouderlijk huis af. De ′broedswagen′ werd door de ′niendeur′ (waaruit de ′stiepel′ weggenomen was) de deel opgereden en daar pas mocht de bruid uitstappen. Ze werd hier ontvangen door een paar buurmeisjes die haar onder het opzeggen van een spreuk een karaf wijn en een paar met rode lintjes versierde glazen aangeboden.
Nadat bruid en bruidegom in de versierde stoelen hadden plaatsgenomen, werden de gelukwensen in ontvangst genomen en bewonderde men de uitzet die de bruid had meegebracht; de kasten werden wijd opengezet, zodat een ieder de grote rollen zelfgeweven linnen kon bewonderen. Terwijl de vrouwen de uitzet bewonderden, hadden de mannen zich aan de borrel gezet; de mannen dronken jenever, de vrouwen ′zeut′ (een zeer zoet soort wijn) of bier. Niet zelden hadden de vrouwen zelf een half pond suiker en een roerlepel meegebracht om bier met suiker te kunnen drinken.
Na een flink middagmaal ging men de boerderij bekijken of een dutje doen.

Om ongeveer vijf uur begon dan de avondbruiloft. Dan kwamen de andere buurlui en de jonge mensen; men danste bij de trekharmonika of bij blaasmuziek op de ′deel′ die met kanariezaad bestrooid was om de vloer glad te maken. Getapt werd er meestal in de koestal, daar had de dorpsherbergier zich geinstalleerd, en wie iets te drinken wilde hebben, moest het zelf halen. Het merendeel van de gasten moest de hele avond staan, want er waren lang niet voldoende zitplaatsen.
De bruiloften eindigden meestal vroeg; negen uur was de gewone sluitingstijd en bij het huiswaarts gaan overwoog men reeds de mogelijkheid van een volgende bruiloft, want zoals men placht te zeggen: ′Van brulft koomp brulft′.

De vekearingstied

Als een jongen verkering krijgt met een meisje, dan wordt het na een
paar weken tijd dat de jongen zijn opwachting maakt bij de ouders van het meisje.
Krijgt hij daar dan alleen maar een kopje koffie.
Een zogenaamd “kaal kopje koffie”.
Dan is dat een stille wenk dat hij niet welkom is.
De jongen of de familie is niet goed of ze zijn niet rijk genoeg.
Dan kan een trouwerij niet doorgaan.
Zo kun je met zeer weinig woorden veel zeggen!
Krijgt hij echter een kopje koffie met daarbij een beschuit of boterham
met scheenk’nvlakken – met plakken ham - dan is alles in orde.
Dan kan wat de ouders van de bruid de bruiloft te zijner tijd doorgaan.
Na de verkeringstijd wordt er uiteraard getrouwd.


Boerendansers 21-04-2007 095

’t Kronen vroagen

kronen01  kronen02


Een trouwerij vergt veel voorbereiding en daarom bieden zo’n zes weken
voor de bruiloft de noabers – de buren - bij het aanstaande bruidspaar hun diensten aan.
Dit is het zogenaamde “Kronen vroagen”.
Want vroeger werd de bruiloft niet in een café of zalencentrum gevierd
maar op de boerderij van de bruidegom.
De noabers vragen of er een boog voor het huis moet komen of de stoelen
en de wagens moeten worden versierd met dennegroen en of er
reuskes – roosjes - gemaakt moeten worden. En dat moet natuurlijk allemaal.


 kronen04  kronen03

 

‘t Brulftenneugen

Ook wordt er gevraagd of de gasten moeten worden uitgenodigd.
Want vroeger en soms nu nog wordt men niet uitgenodigd middels een kaart
of een advertentie in de krant, maar door het gesproken woord!
Dat uitnodigen gaat als volgt:
Het toekomstige paar wijst uit de noabers een paar jonge mannen
aan en die ontvangen een lijst met honderden namen.
Er worden soms wel 300 tot 500 gasten uitgenodigd, of vaak een
hele boerschap. Dit is het zogenaamde “Brulftenneugen”
Deze “brulftenneugers” zijn te herkennen aan hun zondagse pak
 en de pet en goastok versiert met een rode roos.
Zij moeten dan al deze personen op de lijst bezoeken en daar
 hebben ze slechts zes weken de tijd voor.
U kunt zich voorstellen, dat dat een heel karwei is.
En je moet dan ook een goede conditie bezitten, wil je dit kunnen vol houden.
Immers, overal waar ze komen worden ze gastvrij ontvangen
met een borreltje of iets te eten. Kortom, een zwaar maar plezierig werk.
Dat uitnodigen gebeurt met een spreuk, de “Brulftenneugersprök”.
 

Brulftenneugen 


Brulftenneugersprök

Gondag; hier zet ik mien’n stok en mien’n staf,
En nem miene kipse veur oe aln af.
Noe hop ik dat ie aln stille wilt weez’n,
Want aanders kaan ‘k ’t nich, begin ik te vreez’n.
Sloat um te begin’n de hoond veur de bek,
En jaag de hoonder ok op ’t rek.
En zeg teg’n de vrouwleu, dee doar stoat te giecheln as gek’n,
Stil weez’n, aans dan mot iej vertrek’n.
As ’n ieder oonze röst zoa mos verstoor’n,
Kon iej van mien riemsel gin sikkepit hoor’n.
Ik kom nich oet ’t oost’n en nich oet ’t west’n,
Bin gin van de slimst’n en gin van de best’n.
Mear ik bin gezant van hogerhand,
oet ’t Twenteland.
Ik kom oe verzoeken te komen bij ’t trouwen,
Op de brulfte die donderdag wordt gehouden.
Geziene Baas-Berend, dee wil ’t woagen,
Um bie Jens van Slöpke te goan sloapen.
Die zich malkander graag mogen lijden,
Want ze waren al een best’n zet aan ’t vrijen.
Ze zullen zorgen dat u zich niet hoeft te vervelen,
Want vijf muzikanten zullen er fiedelen en spelen.
Het hoorn en de trompetter die maken geschetter,
En de keerl met de trom, dee kan ’t noch better.
Gij behoeft er niet te vasten,
Want vol stoeten zijn alle kasten.
De sniezomp zal ze delen in duftige plakken,
En gij moet er zelf maar dikke boter op smakken.
Gij kunt er klinken en drinken met Jans en Geziene,
En een ieder kan zeggen: ik pak het miene.
Maar drink er niet te veel van den brandenwijn,
Al is dat spul ook nog zo fijn.
Want ’s middags om één uur wordt er van alles op tafel gezet,
En wordt er verwacht, dat u zich barstende dikke vret.
Heb ik nu mijn woordje goed gedaan,
Dan laat ons hier niet langer staan.
Schenk mij een glaasje bier of brandewijn,
Maar ’t mogen ook twee klare jenevers zijn.
En is die hier ook niet te vinden,
Dan zijn wij toch nog goeie vrinden.
En zegen tot besluit:
Wij trekken op een ander uit.


neugen02

De trouwerij

De trouwdag zelf komen ’s morgens in alle vroegte de noabers
op de boerderij van de bruidegom. De zeilwagens worden bespannen met o
pgetooide paarden en versiert met dennegroen, rode en witte roosje en
met een stichtelijke plaat met daarop de tekst;

”Hulde aan het bruidspaar”.

bruiloft04bruiloft01bruiloft03


 ‘t Broedhaal’n

In de wagens nemen de familie, vrienden en de naobers plaats en gaan
op weg naar de boerderij van de ouders van het meisje.
Onderweg worden er allerlei liederen uitbundig gezongen en met zakdoeken
 gezwaaid om daarmee aan te geven, dat ze feestelijk gestemd zijn.
De feestelijke stemming wordt natuurlijk verhoogd, omdat
de “foezel en zeute” – jenever en likeur – gedurig aangesproken wordt.
Dit is het zogenaamde “Broedhaal’n”.
Eenmaal gearriveerd op de boerderij van de ouders van het meisje,
is het erf stil en verlaten en zit alles potdicht.
Dat lijkt ongastvrij, maar dat is nou eenmaal de traditie.
 

 

dans01

De mooiste buurvrouw

Dan komt de mooiste buurvrouw naar voren en die begint een spreuk
op te zeggen voor de gesloten niendeur - dit is de grote halfronde
toegangspoort tot de deel van de boerderij . Onder het opzeggen
van de spreuk gaat de niendeur een klein stukje open. Waarop er
direct een klomp tussen wordt gestoken. Tegen het eind van de
spreuk wordt de niendeur letterlijk wagenwijd opengezwaaid en
kan de bruidegom zijn bruidje in zijn armen sluiten.
 

 

mooistebuurvrouw

Spreuk van de mooiste buurvrouw

Wie sind vanmorgen vrog oppe stoan,
En hebt ’t wark rap offe doan.
Ik heb de slampamp geroerd,
En mien kearl hef de beeste melkt en voert.
Toen sind wie met de zeilwagens van Oatmoschke hier henne jagt,
En hebt de pearde duftig offe placht.
Mer doar wil ik noe nich langer oaver zeuren,
Woarum stoat wie hier veur gesloten deuren.
Wie komt nich um geld of om goed,
Mer um de broed, her vlees en bloed.
Sind d’r nog kisten of kabinetten,
Dee kunt wie bie de broedegom wa good zetten.
10.000 gul’n an klein geld,
doar is de broedegom ok wa op gesteld.
en zolf haw nog geern een mandje met kippen,
dan kow nog eens een eitje pikken.
en een broedskoo met ’n heel’n grote uier,
dee komt bie de broedegom wa good an de kuier.
Noe vroag ik oe met good fatsoen of ie leu oons de deur wilt open doen,
Want wie hadd’n paar slimme peard’n en een gammele wag’n.
Doar kow echt nich zo hard met jag’n.

Geef mij een glaasje rood of brandewijn,
Maar het mag ook een klaar jenevertje zijn.
Doot noe de deur los en gef oons de vrouw,
Aans komt oons Jens ja nooit an’t trouw’n.

Onderwijl zijn de overige noabers het erf rond gelopen en hebben van
alles meegenomen. Linnengoed, beddengoed, kisten en kabinetten,
kleingeld een bruidskoe een mandje met kippen.
Alles wordt in of aan de zeilwagens gezet of vastgemaakt.
Dan neemt het gezelschap plaats in de zeilwagens.
Het bruidspaar krijgt de ereplaats op de bok van de
eerste zeilwagen en dan gaat het in een glorieuze optocht
via stadhuis en kerk richting boerderij van de bruidegom,
waar de bruiloft gevierd zal worden.

 

 meuten01 meuten04   meuten02

‘t meuten

Ze zijn echter nog niet geheel en al van het erf vertrokken of
ze worden aangehouden op plaatsen, waar bekenden van bruid
op bruidegom wonen. Men houdt dan een paal of stok over de weg,
waaraan een veldboeket hangt, ten teken dat de koetsier moet stil houden.
De wagens houden halt, het jonge paar komt van de bok en biedt de mensen
 aan de stok een “gleaske foezel en zeute” aan. Dit is een soort van tol
betalen voor het feit dat het meisje haar oude gebied verlaat en naar
 en nieuwe omgeving gaat.
 

meuten05 meuten03 meuten06

Dit is het zogenaamde “meuten”.

Dit meuten herhaalt zicht diverse keren en vaak door dezelfde
mensen. Die met de fiets vooruit gaan en de meutstok weer over
de straat te houden. En een gratis borrel is weer hun deel.
Uiteindelijk arriveert het bruidspaar op de boerderij van de bruidegom.
 Waar de muzikanten op de hiel - de zolder boven de koeienstallen - zitten te spelen..
En het grote feest kan beginnen.
 

 

Twents Volkslied

Er ligt tussen Dinkel en Regge een land
Ons schone en nijvere Twente
Het land van de arbeid het land der natuur
Het steeds onvolprezene Twente
Daar golft op de essen het goudgele graan
Doet 't snelvlietend beekje het molenrad gaan
Daar ligt er de heide in 't paarsrode kleed
Dat is ons zo dierbare Twente (2x)


Waar Twickel zijn torens uit't eikenloof heft
De Lutte zijn heuvels doet blinken
De paasvuren branden alom in't rond
En 't landvolk de kersthoorn laat klinken
Daar stroomt onze Dinkel zo heerlijk door 't land
Door bossen en velden, langs't Losserse zand
Daar rust er ons oog van der heuvelentop
Op 't heerlijke landschap ons Twente (2x)


De rookwolk, die stijgt aan de horizon op
Die wijst on de nijvere steden
Met mensen arbeidzaam en degelijk, bewoond
De zetels van 't krachtige heden
Daarbuiten in boerschap op heide en veld
Daar wordt nog de sage en 't sprookje verteld
Daar rust de Tubanter in't heuvelig graf
't Verleden naast 't heden van Twente (2x)


En voert ons het lot ook uit Twente soms weg
Wij blijven het immer gedenken
Geen andere landstreek hoe schoon ze ook zij
Kan 't zelfde als Twente ons schenken
Wij drukken elkaar in de vreemde de hand
Gedenkend ons klein, maar zo dierbare land
En moge ons hart in de vreemde ook staan
Ons hart blijft toch altijd in Twente (2x)

(J.J. van Deinse)

De bladmuziek zoals die in 1931 in druk
verscheen is hier ook beschikbaar als jpg plaatje.

Lied: De Driekusman

Noe wol ik oe ees daansen
van den Driekusman, Driekusman, Driekusman,
noe wol ik oe ees daansen
van den Driekusman, Driekusman, bo joa.
Vaar en Moo dee wilt mie sloan
ik mai nig meer met Driekusman goan.
0, mien leef'n Driekusman
dreij die ees urn en kiek mie ees an.
Met de händkes klap, klap, klap
met de veutkes stap, stap, stap.
Harre ik die, o wat zol ik die
dreij die es um en daans met mie.

Lied: Witkop goa weg ie.

Oonze witkop is melk,
oonze witkop is melk,
oonze witkop is melk.
He gef zat zeute melk.
En oonze witkop, oonze witkop
oonze witkop is melk.
`t Is een bollenkalf,
`t is een bollenkalf
he zup zat zeute melk
Goa weg ie,
goa weg ie
ik wil oe nig zeen
kom bie mie, kom bie mie
Want ik bin zo alleen
Fiederalalala, fiederalalala
En ik heb hier een aander
en ik heb veur mekaar.

 

 

Oatmössche

Oatmössche, oh Oatmössche
Doe kleine Siepelstad
Ik hoal zovöl van die ik wor die nooit zat

Al bist doe klein, dat hindert nich
Doe bist zoa mooi zoa riek
Of ’t winter of dat ’t zommer is
Dat is mie net geliek

Ik loop zoa geern de stad ‘ns deur
Deur stroaten breed en smal
En woar ik zee of woar ik kiek
Mooi, bist doe oaveral.

In ’t veurjoar as de beume bleuit
De vöggel fluit in ’n hof
Loop ik zoa geern dee wal is roond
Kiek al dat moois ‘ns of
Dan bist doe net ne jonge broed
Dee op heer broedegom wacht
En met dee kleene eugkes
mie vreendelijk tegg’n lacht

In ’n zommer as noa ’n grommelschoer
De lucht weer helder is
An heg en beum de dröppel hangt
Miljoen in tal gewis

As dan de zun met kleur’n pracht
Dat alles zet in braand
O Oatmöschke, dan bist doe ja
ne groot’n diamaant

En zee ik ’s harfst in ’n Engelshof
De zun wee schient deur ’t hoalt
Dan heb ja alle beume doar
de blaar’n schier van goald

En ligt d’r ’s winters
Een dik pak sneeuw
Op kark, op hoes en pad
Joa, dan zee ik dee ’t allerleefst
mien kleinen Siepelstad

Van wat veur kaant ik die bekiek
Doe Odemarusveste
Doe met dienen gevvels
Eeuwen oald
Bist altied op dien beste

En stoa ik op den Kuuperbarg
Hoe mooi ligst doe d’r dan
D’r is geen kunstenaar zo groot
Die zoiets schilderen kan

Ik ruil die veur gin Amsterdam
Nich veur ne buul met goald
Joa, as ik hier mear wonen mag
Dan wor ik wisse oald.

Oatmössche, oh Oatmössche
Doe kleinen Siepelstad
Ik hoal zovöl van die
Ik wor die nooit zat
Lied: Hoksebarger

As ik met mien meike
noa Hoksebarger goa,
hallo jannoa, hallo jannao.
Dan krieg wie riest
met dikke proemen noa
hallo jannoa, hallo jannao.
Fiederie, fiedera, fiederalala (bis)
hallo jannoa, hallo jannao

 

ccinc facebook ccinc youtube

 

136459
Vandaag31
Gisteren32
Deze week83
Deze maand794
Alles136459

Volgende optreden

donderdag 27 juni
aanvang: 20:00 uur


Hotel van der Maas

Foto's van nu

bd_nu_22.jpg

Foto's van toen

bd_oud_002.jpg